Verwarmende wortelsoep (vegan)

Waarom je dit wilt uitproberen

Dit is de beste soep die ik ooit gegeten heb. Ik maakte hem met kerst en vond het toen een wintersoep, maar eet ‘m net zo lekker in de zomer vanwege het vleugje tropisch land dat er in zit. Hij heeft tot nu toe iedereen blij verrast voor wie ik hem maakte. Laat ik beginnen met ruiterlijk toegeven dat ik dit recept niet zelf bedacht heb. Helaas, ik heb hem alleen ietsjes verbeterd. Het komt doodordinair uit een Allerhande van weleer. Ik heb hem ondertussen al vaak gemaakt, en heb de verhoudingen tussen de geniale combinatie van smaakmakers (te weten: gember, kokosmelk en vers sinaasappelsap) steeds aangepast. Ja, het is wortelsoep, dus er zit met name veel wortel in. IMG_3955Maar dat doet vooral iets voor de gezondheid, de stevige textuur en de blije warme kleur. De smaak komt van die andere dingen, en is zo ongelooflijk goed dat je het de volgende dag wéér wilt eten. Dus. Onderstaand recept is precies de hoeveelheid voor 2 dagen voor ons (= 2 volwassenen, peuter-kleuter en dreumes). Hij dient dan als maaltijdsoep. Mensen met een Ander Leven kunnen het ook als amuse serveren in zo’n klein glaasje (daar krijg je er vast wel 30 van vol). Koken gaat hier meestal met een scharrelende en klimmende dreumes-acrobaat ergens in de keuken, en met hulp van de peuter, dus het experimenteren met verhoudingen was vaak meer geluk dan wijsheid. Bij de keer dat mijn peuter het in één keer naar binnen lepelde en de zeldzame woorden ‘mama mag ik nog wat soep’ uitsprak, heb ik opgeschreven wat er in zat. Oh, voor dit recept heb je een staafmixer nodig (om mee te pureren).

Ingrediënten

1,5 kg wortelen, geschrapt, gewassen & in stukjes gehakt (of in kleine plakjes gesneden, maar dan ben je echt lang bezig).

1,5 ui, gesnipperd

IMG_39581 teen knoflook, in kleine stukjes gesneden

2 cm verse gember, geraspt

1100 ml kokend water, met daarin 1,5 blokje vegetarische kruidenbouillon

400 ml kokosmelk (blikje)

2 sinaasappels, geperst

2 el olie

peper en zout naar wens/smaak

Bereiding

Vergis je niet met plannen: al met al kost het bereiden met deze hoeveelheid best wat tijd. Als je een hakmolen hebt waar je groenten in kunt fijnhakken, scheelt dat wel. Wortels moeten uiteraard geschrapt en gewassen. Ik mik daarna stukken van ongeveer 5 cm in de hakmolen (deel van onze staafmixer) en laat deze flink knorren. Ondertussen staat het water met bouillonblokje op het vuur. Gesnipperde wortels garen gewoon sneller en nemen de rest van de verrukkelijke smaken beter op. Goed. Verhit de olie en laat de ui met de gember langzaam en lang fruiten, zeker 10 minuten op laag vuur, tot de ui zoetig en glazig is. Voeg daarna de knoflook toe, en bak deze kort mee. Doe de wortels erbij, en zet het vuur even wat hoger, bak een tijdje en roer alles goed door elkaar. Bouillon en kokosmelk erbij, aan de kook brengen, en dan 20 minuten laten pruttelen op laag vuur. Af en toe roeren. Als de wortels helemaal gaar zijn, de boel pureren met de staafmixer. Dan de sinaasappelsap erbij, en nogmaals pureren, tot het de textuur van appelmoes heeft. (Ongeveer. Dit is waarschijnlijk waarom Peuter het zo graag lust.) Proeven. Als je mij bent brand je dan je tong, en ben je amper in staat daarna van de soep te genieten. Misschien vind je zout en peper nodig. Serveren met versgebakken broodjes met roomboter (voor vegans iets anders natuurlijk) en een friszoete groene salade met mango en bessen.

Opeten maar. Nomnom. Hmmmmmm.

IMG_3962

Verstrooide postdoc

In het dagelijks leven probeer ik niet al te stereotiep te zijn. Ondanks dat ik bij ‘natuurlijk ouderschap’ zweer (ja, zoek maar op, lang borstvoeding geven, draagdoeken, dat soort ideeën) en ook nog ‘ns zo’n E-nummervrije vegetariër ben, draag ik best hippe spijkerbroeken en laat ik mijn haar zeswekelijks superkort knippen. Geen geitenwollensok dus. Al hou ik wel van wol. Mijn beroep leent zich ongetwijfeld voor een stoffig leunstoelwetenschapper imago, maar naast boekenkasten vol heuse boeken, heb ik ook een MacBook en een iPhone. Dat laatste mag een wonder heten, want deze week zegevierde de verstrooidheid hier.

Een net en opgeruimd huis ten spijt raakte ik van de week zomaar mijn iPhone kwijt. In ons huis. Binnen een straal van 20 meter, namelijk de afstand tussen het bed waar ik Peuter naar toe had gebracht en Man nog een berichtje stuurde dat ze in dromenland verkeerde, en de bank waar ik op 10 minuten na de rest van de avond met slapende Baby in de armen op vastgeplakt zat. Aangezien Baby het altijd voorzien heeft op mijn telefoon, leefde bij ons het vermoeden dat ze die net als de etui van Man in een onbewaakt ogenblik ergens verstopt had (etui werd in de bijkeuken gevonden). We keken onder de bank en vonden daar alle kwijtgeraakte speeltjes en een paar rozijntjes. Onder alle kussens, in de badkamer, zelfs de kamer van Peuter nog ingeslopen… geen telefoon. Onuitstaanbaar gewoon, en ik ging natuurlijk alles in twijfel trekken, had ik ‘m echt nog gehad, en wist ik zeker dat ik ‘m niet doorgetrokken had op de wc? Hoevaak denk ik werkelijk na bij alles wat ik doe, al probeer ik dat mijn Peuter wél aan te leren? Oeps.

De volgende dag was Man met kinderen thuis en zat ik op werk. Dat kan makkelijk zonder iPhone, hoor, en het viel me alleszins mee hoe weinig ik ‘m echt miste. Maar en staan wel >1000 foto’s in de categorie ‘zomaar’ op, soms zijn dat de leukste, en sinds ik een mobiel heb, ken ik zelfs mijn eigen nummer amper uit mijn hoofd. Ik voelde me dus toch vrij ongemakkelijk bij het idee. Man heeft samen met de kinderen nog een keer de hele kamer binnenstebuiten gekeerd, maar geen telefoon. Ik moest ondertussen een erg slecht artikel van iemand reviewen dus zette het uit het hoofd. Voor even. Via facebook kreeg ik de briljante tip dat ik mijn iPhone zou kunnen traceren via een app. Hoe modern! Het leek me hoogstonwaarschijnlijk dat ik een app zou kunnen installeren op een al kwijte iPhone, maar het systeem is briljant: je downloadt Find my iPhone via iTunes, dan ga je naar iCloud, en kan je alles wat er aan jouw account aan kekke apparaten gekoppeld is, traceren. Heeeel handig. En een beetje eng, ook. Want in 5 simpele handelingen had ik het volgende scherm:

iLost

Daar ergens moest hij zijn ja, dat wisten we al. Man lachte mij hartelijk uit toen ik zei dat de telefoon niet in huis maar in de vrije uitlaatzone bij de sloot vlak voor ons huis lag. Ik kreeg een uitleg over GPS en iets met het Amerikaanse leger. Toen ik later weer keek, wat het balletje verplaatst, en zat het op het blauwe stuk. Dat klopte met twee scenario’s die ik ondertussen had verzonnen: ik had de telefoon doorgetrokken en het balletje traceerde hem in het riool, of mijn jongste heeft ‘m te pakken gehad in die 10 minuten dat ze nog op was die avond, en hem in de vuilnis gedaan, en vervolgens is hij uit de vuilnisbak in de sloot beland (ja, dat stuk vond ik zelf ook vrij onlogisch). Omdat het geluid zeker weten uitstond – de telefoon bellen was natuurlijk het eerste wat we gedaan hebben de voorgaande avond – leek de optie ‘speel geluid af’ me vrij zinloos. Maar gezien de ernst van de ingebeelde scenario’s klikte ik er toch maar op. Vijf minuten later verscheen er een plagerige foto op facebook met Baby die met de telefoon in haar handen rondbanjerde. Zonder uitleg, natuurlijk. Ik schreef mijn review dan maar af, en kreeg ’s avonds eindelijk de verklaring waar de telefoon gevonden was. Hij was IN een kussensloop van de bank geslopen. Mijn jongste is valselijk beschuldigd en verdiende dus een excuus. En de Find my iPhone app is zo ongelooflijk slim dat zelfs een telefoon die op stil staat, echt een geluid afspeelt als je hem dat op afstand opdraagt. 100% verstrooide-postdoc-proof dus.

Casus

ca·sus (de; m; meervoud: casussen)
– geval, gebeurtenis, vooral als voorbeeld om te bestuderen of om van te leren
– (taalkunde) verschillende vormen waarin een naamwoord, voornaamwoord of lidwoord voorkomt,  ook wel: naamval

De laatste tijd behoort casus zomaar tot mijn casussen op werk. Samen met mijn collega geef ik een cursus in de research master die we naar eigen smaak mochten inrichten qua onderwerp, en dus besloten wij na een middag brainstormen dat we iets zouden gaan doen waar we allebei niet in gespecialiseerd zijn. Dat zijn nogal wat dingen, en wij kozen voor ‘morfosyntaxis’. Dit is een verzameling onderwerpen in het grensgebied tussen de bestudering van zinsstructuur (syntaxis) en woordvorming (morfologie). Daar valt naamval onder, maar ook het verschijnsel dat in schoolgrammatica’s ‘congruentie’ wordt genoemd – verschillende vormen waarin het werkwoord kan verschijnen in relatie tot een naamwoord (agreement). Mensen die op school Latijn en Grieks hebben gehad, hebben naamval in rijtjes geleerd, en droomden ’s nachts over puella, puellae, puellae, puellam, puella, puella. En dan moest je het meervoud, en gelijksoortige rijtjes met mannelijke, onzijdige en diverse onregelmatige naamwoorden nog. LatinDeclensions

Als je theoretische taalwetenschap gaat doen, hoef je geen rijtjes te leren. Wij zijn meer geïnteresseerd in de vraag waarom je in zulke rijtjestalen de ene keer de ene vorm moet gebruiken en de andere keer de andere, i.e. het systeem dat aan die rijtjes ten grondslag ligt. En in de vraag hoe het kan dat niet alle talen naamval laten zien. Immers, wij Nederlanders doen helemaal niet zo moeilijk als we het over een meisje hebben, wij zeggen gewoon altijd ‘meisje’. En als het er meer dan één zijn, ‘meisjes’. Hebben wij dus geen naamval? Jazeker wel, maar in het Nederlands zie je dat alleen op voornaamwoorden, en ons rijtje is niet zo indrukwekkend. Zo gebruiken we voor een 1e persoon enkelvoud ‘ik’ als we dat als onderwerp (subject) willen gebruiken, en ‘me’ of ‘mij’ in andere gevallen, zoals lijdend voorwerp (direct object van een werkwoord). Dus zeggen we ik sla Piet en Piet slaat mij, maar niet mij sla Piet en Piet slaat ik. Dit heeft tot de veronderstelling geleid dat er een relatie bestaat tussen grammaticale functie en naamval. In Latijn kan je vanwege de rijke morfologie qua woordvolgorde helemaal los gaan, zoals in (1):

(1) Quem dabis haec possit qui dare cuncta locum?

nijmegen

Deze tekst staat op een balustrade in Nijmegen, en betekent ‘welke plaats kun je noemen die dit alles kan geven?’. Quem (eerste woord) en locum (laatste woord) horen hier dus bij elkaar, en zijn herkenbaar als eenheid doordat ze dezelfde naamval (accusatief) dragen. In het Nederlands zou je dat niet kunnen doen, je krijgt dan iets als ‘welke noemen dit kun jij geven alles plaats?’. Door onze (ver)arm(d)e morfologie lijken wij dus sterker afhankelijk te zijn van vaste woordvolgorde om een zin begrijpelijk te houden.

Als er een directe correspondentie tussen grammaticale functie en casus bestaat, moet het wel zo zijn dat casus ook onzichtbaar (i.e. niet gerealiseerd door een bepaalde vorm) kan zijn. Immers, in het Nederlands begrijpen we welke plaats in deze zin als object en jij als subject van noemen in de zin die (1) betekent. In het Latijn krijgt de eerste normaalgesproken nominatief (hier toevallig impliciet omdat het een pronominaal subject is dat besloten is in de vorm van het werkwoord, namelijk ‘jij’), en de tweede accusatief. In het Nederlands zie je dat alleen als beiden voornaamwoorden zijn. Zo door redenerend is het idee ontstaan dat alle naamwoordgroepen in principe (zichtbaar of onzichtbaar) naamval krijgen, en dat nominatief iets met subjecten te maken heeft, en accusatief iets met objecten (die naamval zie je dus alleen bij transitieve werkwoorden opduiken). Dit is een mooie generalisatie over talen, en was om meerdere redenen een grote stap verder in de grammaticatheorie.

Onze masterstudenten waren daar ook al – zij buigen zich over de vraag of dit wel klopt, of eigenlijk de naamvalspatronen die we zien in talen wel beschreven kunnen worden vanuit deze generalisatie. Het feit is namelijk dat niet alle talen consequent nominatieven uitdelen aan subjecten, en dat lang niet alle talen naamval toekennen op basis van het onderscheid subject versus object. Zo is er het IJslands, waarin sommige werkwoorden een datief geven aan hun subject. Dat heet ‘quirky case’ (rare naamval). Gek genoeg krijgt het object dan opeens verplicht nominatief. Maar de grammaticale functie blijft dus gehandhaafd – een deuk in de generalisatie dat nominatief iets met subjecten te maken heeft dus. Daarnaast hebben Hindi, Lezgisch, en Dyirbal en tal van andere talen emarkednom-bigen heel andere verdeling van zaken: objecten van transitieve werkwoorden (zoals slaan) krijgen daar dezelfde naamval als subjecten van intransitieve werkwoorden (zoals slapen), namelijk absolutief. Heb je een transitief werkwoord, dan krijgt het onderwerp (dat noemen we dan een ‘agens’, iemand die iets doet) ergatief. In meer algemene termen, talen lijken óf het Latijnse (accusatieve) patroon te hebben, of het Hindi (ergatieve) patroon.

Nog een probleem voor de vermeende relatie tussen grammaticale functie en naamval, dus. Genoeg om over na te denken, en een leuk en kronkelig zijpad voor mij, aangezien mijn eigen onderzoek nog nooit over casussystemen is gegaan. Waarover dat dan wel gaat, daarover later ooit meer.

Smeerworst-hummus

Onze kinderen eten met de pot mee, en die pot is vegetarisch. Op een dag had Peuter het opeens over ‘smeerworst’. Want haar verloofde op het kinderdagverblijf at dat wel, en zij niet. Ze weet wel hoe het eruit ziet en wilde het dus ook meenemen toen we in de supermarkt stonden, tot ik uitlegde dat er vlees in worst zit. Ze kreeg een extra blokje kaas van de lieve kaasmevrouw die mij met een tsss-blik aankeek. Daar sta je dan, met je idealen.

Min of meer bij toeval heb ik een vegetarisch (veganistisch zelfs) alternatief gemaakt voor onze Peuter. Een tijdje terug ben ik begonnen met in het weekend zelf hummus maken, gewoon voor de lekker en niet uit blik, maar vanaf droge kikkererwten. Mijn Peuter likte bij de eerste keer met zoveel smaak de kom leeg dat het nu een weekendse traditie is. Bij de toko haalde ik naast kikkererwten ook zakken droge kidneybonen en sesamzaad, en had op een goede dag zowel kidneybonen als kikkererwten geweld en wel klaar staan, zonder duidelijk doel. Dus maakte ik maar een variant op hummus. Het resultaat smaakt net een beetje anders, maar oogt vooral rozig, en werd door Peuter meteen dolgelukkig als ‘smeerworst-hummus’ omschreven.

IMG_3182

Recept (voor een goed potje vol)

50 g droge kikkererwten (of klein blikje)
50 g droge rode kidneybonen (of klein blikje)
1 teen knoflook
1 el sesamzaad
1 el olijfolie
scheutje citroensap
zout en peper (naar smaak)

Als je net als ik begint met gedroogde peulvruchten, moet je het maken een beetje meer plannen, ik zet ze het liefst 24 uur van tevoren in een bad koud water. Een dagje later afspoelen (niet in hun eigen sop koken!), en minstens een uur koken in ruim water. De zout die je in de hummus wilt toevoegen, kan je al hier toevoegen. Afgieten en vocht bewaren. Een teen geperste knoflook fruiten in de olijfolie. Dit alles bij elkaar in de blender met het sesamzaad en wat citroensap erbij. Ik moet hiervoor eigenlijk een sterkere blender hebben, de mijne kreunt en steunt er nogal onder. Als het te droog is, kookvocht toevoegen. Dit geeft een soort paté-achtige substantie (de meeste hummus-recepten zijn gladder wegens 6 keer zoveel olie, en zullen ongetwijfeld geen blenders slopen :D). Yum!

Deze ‘worst’ is natuurlijk het allerlekkerst op zelfgebakken brood (zoals op de foto hier). Dit is kneedloos brood, erg eenvoudig te maken en wegens het moeten overnachten van alle ingrediënten goed samen te plannen met hummus. Ik gebruikte 150 g volkoren tarwemeel, 150 g speltmeel en 200 g bloem, en deed er een eetlepel oerzoet (ongeraffineerde rietsuiker) bij. 250 graden was te heet voor mijn (elektrische) oven voor dit brood (waardoor mijn eerste kneedloze ervaring een lekker maar iets te zwartgeblakerd broodje opleverde).

Veggiestan

veggiestan

Veggiestan, door Sally Butcher (vast geen pun intended)

Laatst ruimde ik mijn tas eens op. Dat zou ik vaker moeten doen. Of juist niet. Ik vond namelijk een Vergeten Schat: een envelopje met daarop “Dr. Marlies”, met daarin twee boekenbonnen. Die wonen al sinds 14 november 2011 in mijn tas. Goed voor €22,50! Vanmorgen ging ik met mijn slapende baby lekker op mijn rug geknoopt op weg naar een grote boekenwinkel. Ik dacht eerst dat ik een boek-boek ging kopen. Ik bladerde eens wat door, en werd door menig dikke pil in verleiding gebracht, maar weet je wat het is? Het gaat nog onbepaald lang duren voor ik de tijd ga hebben om een heel boek in een bevredigend tempo uit te lezen (en ook belangrijk: dat ik tijdens het lezen niet om de zoveel zinnen word onderbroken door “mama, ik wil kleien”, “bèèèèèh” en “zij heeft mijn speeltje afgepakt!”).

Bij de kast met kookboeken viel mijn oog op Veggiestan . Een receptenboek, maar dan met leuke extra’s: achtergronden van de gerechtjes, prachtige foto’s, en alles vegetarisch of veganistisch (vandaar de titel, natuurlijk). Lezen kan altijd nog, en ook in dit boek (onder het koken, bijvoorbeeld). Peuter en ik houden nogal van peulvruchten, en zo komen we eens wat verder dan onze wekelijkse veganistische couscous en zelfgemaakte humus.

(Reineke, zeer bedankt voor de bonnen!)

Havermout-yoghurtmuffins (voor ’t zondagse ontbijt)

Zaterdagse havermout-yoghurtmuffins (voor 't zondagse ontbijt)

Elke zaterdag ga ik de kasten en de planken met onze potten langs om te kijken waar er nog restjes zitten die liever niet weggegooid worden. Met onze Rapley Baby en onze lust-‘t-toch-niet Peuter (valt wel mee trouwens) belandt er immers al meer dan ik zou wensen in de biobak. Goed, vandaag vond ik een bodempje havermout, een pak yoghurt dat eigenlijk over best ver over de datum was (maar yoghurt… dat bederft echt niet snel hoor mensen), en een overgebleven stuk roomboter. Jum.

Ik heb ontdekt dat de lekkerste, romigste en knapperigste muffins die óók nog gezond zijn, met volle yoghurt gemaakt moeten worden. En roomboter. Ik ben op een volvet dieet. Ik ben zelf niet zo volvet op het moment, vandaar. Trouwens, wie wat rondleest kan her en der de overtuiging opdoen dat roomboter weer gezond is tegenwoordig. In ieder geval gezonder dan de ons door mw. Bloemen aangesmeerde cholesterolverlagende hartbeschermende Becel-rommel.

Peuter en ik hebben ons dus weer een uurtje vermaakt in de keuken, en het resultaat mag er wezen. Voordeel van muffinbeslag met yoghurt vind ik dat het superlobbig wordt, en daarmee erg makkelijk in muffincupjes te lepelen. Wat fijn is als je peuter’hulp’ hebt :D, beslag met melk is een heel stuk kliederiger. De kliekjesmuffin die we morgen lekker aan het ontbijt gaan eten, maakten we van (12 stuks):

140 g bloem
140 g volkorenmeel
35 g havermout
80 g oerzoet
1 snuf zout
3 tl bakpoeder
1/2 tl baking soda
veel rozijnen
een beetje gewone muesli

sinaasappelrasp van 1 sinaasappel
2 eieren
250 ml volle yoghurt
90 g roomboter (gesmolten en afgekoeld)

Boter op laag vuur smelten en laten afkoelen. Bloem, meel, bakpoeder, baking soda en zout zeven boven grote kom. Goed mengen, havermout en oerzoet erbij. O ja, en die berg rozijnen. Boven de andere kom de sinaasappel raspen, daar overheen de twee eieren zacht los kloppen, daar de boter en yoghurt doorheen klutsen. Dat allemaal bij de droge dingen, roeren tot je een dik en lobbig (iets klonterig) beslag hebt, snel de cupjes in doen, bestrooien met wat losse muesli en dan 20 minuten op 200 graden laten bakken.

PS: `oerzoet’ (of: sucanat) is een minimaal (bijna on-) geraffineerde suiker van suikerrietsap. Te verkrijgen bij de natuurwinkel. Het smaakt als ruwe rietsuiker, maar heeft meer dat houtige randje, dus als je daar van houdt… Her en der kun je trouwens ook van alles lezen over geraffineerde suikers en ideeën over de menselijke suikerspiegel. Ben ik nu zo iemand die per se geen gewone witte kristal suiker eet? Nee hoor. Maar ik moet wel uitkijken dat ik de 3000 kcal die ik per dag moet eten van de huisarts, niet alleen uit zoetigheid haal. Dat zet namelijk geen zoden aan de dijk.

Alleenzaam

“Maar die is alleenzaam!”

Zoals elke avond lig ik naast Peuter in haar bed. Ze is moe en heeft er een dag dolle dwaasheid op het kinderdagverblijf op zitten. Mijn dag bestond uit allerlei dingen die ik alweer vergeten ben en de donkere kamer en een combinatie van hormonen en slaaptekort maken dat ik bijna niet doorheb wat ze eigenlijk zegt.

Alleenzaam!

Wat een briljant woord, en wat een zuinige vinding van mijn peuter, die twee woorden voor wat in haar hoofd nog hetzelfde is, duidelijk overbodig vindt. En wie is er dan alleenzaam? Nou deze bijvoorbeeld:

kwalDeel van het naar bed brengen, dat dagelijks een uurtje in beslag neemt tussen huiskamer en bed (via het bad en een hoop armen en benen die in allerlei mouwen en broekspijpen gewurmd moeten), is dat Peuter met mij naar plaatjes op mijn iPhone kijkt. Dit zijn of paddestoelen, of slakken, of kwallen. Die laatste voorliefde is veroorzaakt door Finding Nemo (ook een aanrader, en wederom zeer te verkiezen boven eerdergenoemde D o r a).Van de rest weet ik het niet.

Bij elke kwal die in zijn eentje op de foto is gezet, roept Peuter bezorgd dat die alleenzaam is, en of hij dan geen vrienden heeft, en waar zijn papa en mama dan zijn. In werkelijkheid gaat “alleenzaam” niet over de kwal, maar over haar, natuurlijk. “Alleenzaam” deed zijn intrede als nieuw woord in onze taal toen Peuter opeens niet meer zelf wilde gaan slapen en ook niet meer doorsliep. Dit na bijna een jaar ‘ideale’ nachten. Zo van 20 tot 7 slapen, zingend in slaap vallen en zingend wakker worden. Ter voorkoming van misverstanden: dit ging ze doen nadat ze 2 jaar was geworden, en een megagroot bed van ons had gekregen om ‘ns te kijken of ze dat ook leuk vond, als alternatief voor het samen slapen. Peuter vindt het opeens eng om alleen in een kamer te zijn. En geef haar eens ongelijk. Het is donker maar net licht genoeg om de tweehonderd oogjes van haar honderd knuffels te kunnen zien loensen. Het megagrote stuiterhobbelhertding werpt grillige schaduwen bij het nachtlampje. En als je goed luistert hoor je mensen beneden gewoon praten over grotemensendingen waar zij niet bij is.

Omdat Baby rond dit uur ook graag tegen mij aannestelt om te slapen, blijft Man nu dus bij Peuter in de kamer tot de slaap haar overmeestert. Als ze ’s nachts wakker wordt is ze natuurlijk weer alleenzaam in die kamer, en kruipt ze snel bij mij en Baby in bed. Ja, het is krap af en toe, en soms word ik wakker met een dode arm omdat ik een nacht gesandwiched lag tussen snurkende Peuter en zachtronkende Baby. Maar ik vier stiekem de alleenzaamheid van mijn Peuter – dat ze nog maar lang tegen me aan wil kruipen om er vanaf te komen.

Zelfdoeproject I: wasmiddel maken

Ik had me voorgenomen om een stuk te schrijven over plastic soep en andere dingen waar mijn maag zich van omdraait. Maar het kost wat tijd om me daarin te verdiepen, en die heb ik momenteel even niet. En ik word er vreselijk depressief van, van de cijfers, de beelden, en de realisatie dat ik daar ook aan meedoe. Maar goed: we weten allemaal dat we veel te veel afval produceren en wat daar de consequenties van zijn. Ik hoef misschien niet de zoveelste te zijn die daar onderzoek naar doet, ik verwijs simpel naar http://plasticsoupfoundation.org/, bijvoorbeeld. Voor dit weekend heb ik wel een klein project. Om mee te beginnen. In mijn eentje kan ik niet zorgen dat meeuwenmagen niet vol plastic doppen zitten, en vissen niet “microbeads” van plastic inademen in onze Blauwe Oceanen. Maar ik kan wel opletten dat ik niet meer verspil dan nodig. Die tweewekelijkse grijze kliko VOL (ja, tjokvol, zeker nu met twee kinderen) is echt al erg genoeg. Er razen allerlei plannen door mijn hoofd over minderen, maar deze leek me zo besparend (voor portemonnee en wereldwelzijn) en nog leuk om te doen ook, dus laat ik hier ‘ns mee beginnen: zelf wasmiddel maken.

Op internet kan je daarvoor talloze receptjes vinden, en ze zijn zo makkelijk dat je je af kunt vragen waarom je in de supermarkt uit 20 soorten voorgemaakt en vooral voorverpakt wasmiddel kunt kiezen. Men neme 40 g sunlightzeep (ja, die, uit grootmoeders tijd), 40 g soda, een scheutje azijn en 2,5 l water. Zeep raspen en in een pan doen, met een halve liter water (koud). Verhitten tot de zeep is opgelost, soda toevoegen. In een emmer overgieten en 2 liter water (dit keer heet water) toevoegen. Nacht laten staan. Naar verluidt wordt dit een glibberige zeepmassa die je eenvoudig als wasmiddel kan gebruiken. Ik moet het nog proberen, dus rapportage uit eigen ervaring (met foto’s) volgt, maar wie weet kan ik anderen vast besmetten met dit plan. Bij voorbaat namens de  gedwongen plasticovoren op de wereld: bedankt!

Nooit genoeg

rupsjeOnze beste koop ooit uit zo’n doe-maar-weg-bak bij de Appie, is de DVD van Rupsje Nooitgenoeg. Ja, natuurlijk, we hebben ook 3 versies van het boekje (een met gaatjes, een verkorte versie voor de buggy die we niet gebruiken, en ooit een badboekje dat door Schimmeltje Nooitgenoeg is opgegeten).

De DVD is echt een aanrader! 5 prachtige verhalen van Eric Carle verteld door Carice van Houten, allemaal leuk, allemaal begeleid door mooie muziek en natuurlijk artistiek zeer verantwoord. Wat een enorme verademing als je net zo’n walgelijke (schreeuwerige, goedkope en verbazingwekkend lelijk gemaakte) D o r a aflevering doorstaan hebt. Ja wij spellen dat altijd, in de hoop dat Peuter het niet verstaat en niet op een idee komt. Ooit hebben wij namelijk ook de jammerlijke fout gemaakt om D o r a in ons huis te laten. En Peuter vond dat in ieder geval tot voor kort helemaal het einde. Waarom is ons een raadsel, elk ‘verhaal’ is hetzelfde, en eigenlijk is het niet eens een verhaal. Dat halve Engels zal ongetwijfeld leerzaam zijn, maar moet het dan meteen zo lelijk en dom?

Dus. Wie genoeg heeft van alle zooi die je per ongeluk voor je kinderen gekocht hebt, haal de DVD van Rupsje ‘ns in huis en geniet!

Gedachtengezicht

GedachtengezichtGisteren stuitte ik zomaar op dit stukje uit Roald Dahl’s De Griezels. Er zit een Belangrijke Les in. Wie lelijke dingen denkt, en dat herhaaldelijk doet, wordt vanzelf steeds lelijker. Iemand die goede dingen denkt, ook al heeft hij scheve tanden en een pukkel op z’n neus, die is vanzelf mooi. Echt.

Nu is het allerminst eenvoudig om altijd ‘goede’ gedachten te hebben. Op sommige dagen moet je de blijheid uit je kleinste teen halen. Dagen die bijvoorbeeld volgen op nachten zonder slaap, en die beginnen met een serie weeklagende “ik-wils”, “jij-moets” en veel “NEE!” van een 3-jarige. Omdat ik toch nog liever op de Moeke in het onderste plaatje lijk dan op de Griezelin in het bovenste, oefen ik daarom dagelijks een gezicht voor de spiegel voor ik inga op de twintigste ‘nee-ik-wil-die-specifieke-broek-NIET-aan’. En het is waar hoor, van sjacherijn word je alleen maar griezelig, en een glimlach werkt beter dan die oogschaduw die ik meestal vergeet.